Alles is in tijd en ruimte te bepalen.

Zowel in tijd als ruimte is een natuurlijke ritmiek en ordening te ontdekken, die bepaald worden door de positie en beweging van de aarde ten opzichte van de maan en zon en andere planeten.
We leven in het hier en nu, maar tegelijkertijd gebeurt er daar (bijvoorbeeld ander land/ werelddeel) iets anders en ziet de tijd er daar anders uit. In een ander werelddeel kan het op dit moment ook vroeger of later zijn. Van hieruit krijgen kinderen een besef van de relativiteit van tijd.
De mens heeft ruimtelijke oriëntatie nodig om zich te kunnen bewegen in de ruimte en zich een beeld te kunnen vormen van onze positie op aarde en binnen het planetenstelsel. Om aan anderen te vertellen waar we ons bevinden, drukken we ons uit in afstanden en om aan te geven hoe vlug je een bepaalde plaats kan bereiken in snelheid.
In het kernconcept Tijd en ruimte staat de positie centraal die de aarde heeft ten opzichte van de zon en de maan en hoe de aarde, zon en maan zich continu ten opzichte van elkaar bewegen. Deze positie en beweging verklaren allerlei verschijnselen op aarde zoals:
• dag en nacht;
• tijdsindeling in 24 uur;
• seizoenen;
• klimaat;
• zonsverduistering;
• eb en vloed.
De leerlingen ontwikkelen begrip voor het feit dat alles met alles samenhangt.
Een echte piloot vertelde de kinderen alles wat zij wilden weten over het werken hoog in de lucht.
De aarde is rond en draait om de zon. De maan draait om de aarde (en is er dus ook over- dag). De zon is een ster en maakt onderdeel uit van het melkwegstelsel. De aarde is dus niet het middelpunt van het heelal. Door de natuurwet dat massa’s elkaar aantrekken, bestaat er zwaartekracht (alle massa wordt naar het midden van de aarde getrokken). Door de zwaartekracht ‘vallen’ we niet van de aarde. Op de maan is ook zwaartekracht maar minder groot. Door de zwaartekracht is er ook een dampkring die ervoor zorgt dat het op aarde niet te warm en niet te koud wordt en er zuurstof op aarde kan zijn. Als een raket in een baan rond de aarde cirkelt, is er sprake van gewichtsloosheid (de zwaartekracht wordt opgeheven).
De aarde maakt deel uit van ons zonnestelsel, de andere planeten draaien om dezelfde zon.
De aarde draait in 24 uur om haar as. Twaalf uur per dag kunnen we de zon dus zien (dag) en twaalf uur per dag is de zon aan de andere kant van de aarde (nacht). Deze rotatie om de zon heeft (oorspronkelijk) onze eenheid van tijd bepaald. Met een zonnewijzer kan bepaald worden op welk uur van de dag we zitten. Tegenwoordig zijn er meer verfijnde methoden, zoals een (slinger- of opwind)uurwerk of een kwartsklok.
Op de hele wereld begint de dag midden in de nacht en is het 12.00 uur als de zon op het hoogste punt staat. Dit heeft als gevolg dat het niet op de hele wereld op hetzelfde moment even laat is en er tijdszones zijn ingesteld.
De aarde draait in een jaar om de zon. Hiervan is een kalender afgeleid (indeling in maanden en weken). In de westerse samenleving hebben we de jaartelling bij de geboorte van Christus laten beginnen, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Op elke plaats op aarde bepaalt de hoek die de aarde daar maakt met de zon de warmte op aarde. Op de evenaar staat de zon loodrecht (90°) en op de polen is de hoek bijna 0°. Seizoenen zijn er doordat de aarde niet loodrecht om de zon draait, maar onder een scheve hoek. In de zomer staat de zon rechter boven ons hoofd dan in de winter. Op de polen zijn de seizoenen het meest extreem (half jaar licht versus half jaar donker).
De maan draait in 28 dagen om de aarde. We kunnen de maan zien, omdat zonlicht op de maan kaatst. We zien de maan niet (geheel) als de maan aan de andere kant van de aarde is en als de maan tussen de aarde en de zon staat. Als de maan precies tussen de aarde en de zon in staat is er (ergens op aarde) sprake van een gehele of gedeeltelijke zons- verduistering.
De aantrekkingskracht van de maan zorgt voor eb en vloed. De maan trekt de watermassa van de zee aan. De combinatie met de aantrekkingskracht van de zon kan een springvloed doen ontstaan.