Zitten alle zaadjes erin?
Wat een schatttige logées hebben we op school. We moeten wel in de gaten houden of ze goed groeien, dus moeten we ze elke dag meten en wegen.
Groei en leven als kernconcept
Bij het kernconcept Groei en leven gaat het vooral om het besef wat leven is, dat alles dat leeft een bepaalde ontwikkeling of groei doormaakt. Elk kind maakt een soortgelijke groei (ontwikkeling) door op verschillende gebieden, maar ook vindt er ontwikkeling plaats van mens en dier als soort (evolutie). Tot slot staat het besef centraal dat ook de aarde als geheel een bepaalde ontwikkeling doormaakt en dat de manier waarop we nu met de aarde omgaan het natuurlijk evenwicht verstoort.

Mindmap kernconcept Groei en leven
In dit kernconcept staat eerst de vraag centraal wat leven is. Vervolgens wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten ontwikkeling: de ontwikkeling van elk kind tot volwassene en de ontwikkeling van de mens en andere dieren als soort. Daarnaast is er aandacht voor de ontwikkeling die de aarde als geheel doormaakt.
Wat is leven?
Wat zijn de kenmerken van leven? Wat hebben planten, dieren en mensen nodig om te kunnen leven. Het besef dat elk leven een begin en een eind kent (ashes to ashes, dust to dust). Hoe ontstaat leven? Welke soorten leven zijn er (indeling dierenrijk en plantenrijk) en wat zijn belangrijke kenmerken van (een aantal) planten en dieren?
De ontwikkeling van de soort.
In dit onderdeel van het kernconcept staat de evolutieleer centraal. Een soort, zoals de mens of een dier verandert steeds, omdat de individuen binnen de soort die het beste aan de (veranderende) omgeving aangepast zijn zich het beste voortplanten. Kinderen krijgen een beeld van de ontwikkeling die de mens als soort in de tijd heeft door- gemaakt en welke (macro) omstandigheden daarop van invloed zijn geweest. De kinderen ontwikkelen (pre)historisch besef. En een stapje verder: ethische vragen over klonen en genetische manipulatie; ethische vragen over de manier waarop de mens omgaat met dieren in bijvoorbeeld de bio-industrie en bij de veredeling van soorten.
Zoals altijd gaat het in de onderbouw weer om kijken en bewust worden. Er is op dat gebied zoveel te doen dat we daar nauwelijks didactische aanwijzingen voor hoeven te geven: de jaargetijden, de dieren en planten om je heen, je lichaamsdelen, bewustwording van ouder worden, de groei van kikkervisjes, zaadjes. En de onderbouwleerlingen kunnen ook al goed meewerken aan de opdracht voor de oudere leerlingen: wat zit er eigenlijk allemaal in een dier of mens? Hoe groeit een dier of plant?
In de middenbouw moeten we goed gaan werken aan de inzichten, ecosystemen te beschrijven, een PowerPoint te maken over het ontstaan van de wereld, enzovoort. Er mag ook veel onderzocht worden, de kinderen mogen zich als onderzoeker opstellen. Voortdurend is kennis en constructie nodig. Dit omdat er in de bovenbouw vanuit deze inzichten behoorlijk wat kennis moet worden opgebouwd in verband met kerndoelen en Cito-toetsen. Het is een vrij omvangrijk kernconcept.